.
Wat zeggen woorden? Bij mystieke ervaringen zou onderscheid gemaakt moeten worden tussen de fysiologische belevenis enerzijds en de interpretatie van die belevenis anderzijds.
Het zou kunnen dat de fysiologische belevenis in veel gevallen gelijksoortig is, of minstens familiair, terwijl de duidingen ervan fors uiteen kunnen lopen, evenals de betekenis die de ervaring voor de betrokkene heeft.
Het zou goed kunnen dat Meister Eckhart en zenmeester Dogen van eenzelfde soort belevenis blijk geven, ook al verwoorden zij hun belevenis volstrekt anders: de één spreekt over God en godheid, de ander over boeddhanatuur.
De mystieke ervaring is dermate direct, dat de duiding niet anders kan dan voortvloeien uit het referentiekader waar de ervaarder het meest vertrouwd mee is.
Wanneer een mystieke ervaring wordt verteld in godsdienstige termen, dan zegt de belevenis nog weinig over het bestaan van God; wel zegt het iets over de vertrouwdheid van de betrokkene met verhalen over God.
Dit blijkt ook uit het relaas van seculieren: de beschrijving van wat zij ‘mystiek’ hebben meegemaakt vertoont doorgaans sterke overeenkomsten met het relaas van andersdenkenden, terwijl de duiding in volstrekt andere termen gebeurt.
In reflectie achteraf kan twijfel ontstaan, over de interpretatie van wat men heeft meegemaakt en ook over de levensbetekenis van de ervaring (al blijkt zij zelden zomaar te kunnen worden afgedaan); op het moment van ervaren schitterde die twijfel door afwezigheid. Wat heeft dit gevoel van evidentie te betekenen?
En wat betekent meerduidigheid voor mystiek?
Wie of wat ben ik [nog] wanneer ‘ik’ grotendeels een complex ben van biologische, genetische en neurologische processen, geactiveerd en beïnvloed door culturele en andere omgevingsfactoren? Ben ik [wel] méér dan dit gebeurende complex? Heeft het [wel] zin om een prestatie aan iemand toe te schrijven? Wanneer ik van iemands prestatie geniet, heb ik de neiging om de persoon van de auteur een bijzonder aura te verlenen, maar heeft dat wel enige betekenis?
En wat betreft talenten: die heb je, of niet. Als je ze hebt, kun je ze tot ontwikkeling brengen, - en je zult er iets voor moeten doen. Als je ze niet hebt, hebben hoge verwachtingen geen zin: met inspanning alleen kom je er niet, hoeveel je er ook voor opoffert. Laat ik geen talenten (willen) cultiveren die ik niet heb!
Het nut van ego. We lijken een bijzondere zelfopvatting nodig te hebben om tot bijzondere prestaties te komen, of om iets te doen ten behoeve van een gewenste erkenning (wat op hetzelfde neer kan komen). Vraag is of die opgepompte zelfopvatting, als zijnde bijzonder of uitzonderlijk, méér is dan een noodzakelijke zelfbegoocheling? Wat blijft ervan over wanneer de prestatie is geleverd (of niet) en de erkenning verkregen (of niet)?
En wat is de winst om dit in te zien? Vrijheid! Vrij, speels en creatief bewegen in een onbegrensde ruimte, - als een kind, maar dan met ontwikkeld onderscheidingsvermogen, zonder overspannen verwachtingen.
En compassie met mijzelf (en anderen) toen ik nog druk was met mezelf te bewijzen.
Zo erg is ‘ego’ niet.
Politieke homeopathie. Laat het gelijke het gelijke bestrijden. Extremismen van tegenovergesteld pluimage, bijvoorbeeld. Moge de speeltuin, of arena, stevig en flexibel genoeg zijn om het te overleven.
Democratie: een precair evenwicht van pluriformiteit dat alleen onder zorgvuldig bewaakte randvoorwaarden vrijheid kan laten bloeien. Het is veel gemakkelijker om ongezouten de eigen overtuiging te laten zegevieren en om te vormen tot een dictatuur van de monocultuur. Overal waar dit nog gebeurt is de overwinning aan het primitieve mensdom, hoe begrijpelijk ook de motieven. En het gelijkstellen van monocultuur en democratie, als evenwaardige opties, is een eerste stap terug naar de barbarij.
Existentiële onrust. Wat wil het leven van mij? – ik weet niet of de vraag juist gesteld is, maar zij houdt mij wel al heel mijn leven bezig. Deelantwoorden en activisme mijnerzijds stranden telkens weer op ontoereikendheid: er is meer, het leven is meer en het vraagt mij er open voor te staan. En behalve dat het leven aan mij appelleert, is er ook het bewustzijn dat zich in mij roert: het wil telkens tot het uiterste gaan van wat ik aankan. Dan weer in mij, dan weer naar buiten. Een oneindige queeste, - althans, zo lijkt het; het ziet er naar uit dat ik er voorlopig nog niet klaar mee ben. En ik weet ‘het’ geen halt toe te roepen, ook al zou ik het willen. Is het een zoeken? Het lijkt eerder op een eeuwige kier in het zijn, een onstilbare tocht, die me telkens weer onrustig maakt en me uit mijn gemak drijft.
Hoe zit het met kieskeurigheid en goede smaak, wanneer je probeert te leven vanuit een diepe acceptatie van het leven? Is dat strijdig?
Wilde wijsheid: het oneindige zoeken en onderzoeken lief krijgen!
Oneindige potentie. Valt er iets te bereiken? Leven we in een nog-niet? Zullen we ergens komen waar we nu niet zijn? Is er reden om te hopen op een toekomst? Eerder is er sprake van een scheppen in het nu. En dat zal zo blijven, - ook in de toekomst. Moge wat komen gaat zo onvoorspelbaar mogelijk zijn!
.
No comments:
Post a Comment