Wat nodig is om een seculiere spiritualiteit tot een vitale
en cultuurbrede optie te maken is reframing: spiritualiteit uit het
(a)theïsme-debat halen, met een duiding van relevante ervaringen die op
zichzelf staat, zonder referentie naar niet-seculiere Grote Verhalen.
Hoe geen aandacht te besteden aan een non-issue, als
seculier. Waarom je nog druk maken over het
al dan niet bestaan van een god, wanneer je uitgaat van een werkelijkheid die
zichzelf genoeg is? Niemand maakt zich nog druk over de vraag of Zeus of Jupiter
bestaat, waarom zouden we ons dan nog wel druk maken over andere bewoners van
de hemelse Olympus: Jahweh, of hoe hij ook mag heten in concurrerende, dan wel
verwante godsdiensten. Niet het vermeende bestaan van een bovennatuurlijke
instantie zou de vraag moeten zijn, maar: wat is méér nodig dan seculier zijn?
(En ‘seculier’ vat ik dan op als: georiënteerd op het leven dat we (ook) kennen
met onze zintuigen en dat tijdelijk is.) Wanneer een gebrek of gemis kan worden
aangetoond, praten we verder over de mogelijkheid van iets anders dan een leven
dat de aarde trouw wil blijven.
De naïviteit van tal van levensbeschouwingen, inclusief het
Boeddhisme: menen dat we als mens een beroep kunnen doen op hoe de
werkelijkheid werkelijk is, een soort
ongeconditioneerde waarheid. Als er iets is dat de moderne filosofie heeft
geleerd, dan is het dat onze wereldervaring altijd theoriegeladen is; het is
onmogelijk om iets te ervaren zonder het te duiden. (Ook menen dat je niet
duidt is een duiding, - klinkt flauw, maar toch.) Alleen al het woorden geven
aan een belevenis, aan iets dat we meemaken, aan iets dat we waarnemen of
genieten, is een duiding. Wat wel mogelijk is: een duiding volkomen vanzelfsprekend
achten, - en waarom ook niet? Het zegt simpelweg dat er dan sprake is van een ongedachte. We leven met een ongedachte in zoverre een aspect
of een dimensie van ons duidingskader vanzelfsprekend blijft, oftewel: zich
onttrekt aan onze aandacht, en onder de radar van bewustzijn blijft, - en
nogmaals, waarom ook niet? Maar dat betekent nog niet dat er geen sprake van
is. En met gevolgen, met name voor het elkaar verstaan en de mate van
gastvrijheid die aan andersdenkenden wordt geboden.
Iets is altijd iets-voor-ons, en dit ‘voor-ons’ is niet
eenduidig, maar kan anders zijn. Wat iets-op-zichzelf is, valt niet te zeggen,
omdat het dan onmiddellijk iets-voor-ons wordt. Het beseffen van deze
ambivalentie, tussen iets-op-zich en iets-voor-ons, is de geboortegrond van
menselijke vrijheid.
Het behoort tot de mogelijkheid van het menselijk bewustzijn
om het eigen functioneren (van het bewustzijn) bij zichzelf in rekening te
brengen (als een systeem dat zichzelf doorheeft, van binnenuit), en af te
zetten tegen niet-bewustzijn, ook al kunnen we niet voorbij die grens komen.
(Zoals we ook weten dat er wezens zijn die geen menselijke taal bezigen, zoals
planten, al weten we niet hoe het is om zonder zo’n taal te leven.)
.
No comments:
Post a Comment